Kamerinbreng: Kindermishandeling
Algemeen overleg, d.d., 18 oktober 2007: Plan van aanpak kindermishandeling
Voorzitter, ik wil beginnen deze minister te prijzen voor dit lovenswaardige initiatief. In Nederland, waar we denken het allemaal zo goed voor elkaar te hebben, komen nog steeds zon 50 kinderen per jaar om het leven als gevolg van kindermishandeling. Dat rechtvaardigt een ferme aanpak en ik zie veel goeds in het plan van aanpak dat wij hebben mogen ontvangen.
Inzet op preventie; beter en eerder signaleren; het beperken van de nare gevolgen voor het kind. Allemaal zaken die beter kunnen, en de minister doet met zn plan van aanpak een eerste voorzet.
Maar voorzitter, er zitten wat D66 betreft ook nog een hoop open eindjes aan de voorstellen in het plan van aanpak.
We moeten toe naar een situatie waarin iedereen die zich beroepsmatig
bezighoudt met kinderen en jongeren - artsen, onderwijzers, jeugdbeschermers, politie en justitie - het belang van het kind centraal stelt in het beroepsmatig handelen. D66 ziet daarom ook veel in het verplichtstellen van de meldcode. Kan de minister aangeven waarom hij een andere keuze maakt?
Dan de getrapte zorg. Ik ben hier groot voorstander van. Er moet meer ruimte en aandacht komen voor de lichtste vorm van hulpverlening. Door jongeren en hun ouders met een minder zware problematiek in een vroegtijdig stadium ambulante begeleiding aan te bieden kan erger voorkomen worden. Maar dan wil ik ook weten: geeft de minister de ambulante hulpverlening ook echt de ruimte? Ook financieel?
Dan voorzitter, de wachtlijsten. De MO-groep heeft al aangegeven dat door de uitvoering van dit plan van aanpak de wachtlijsten zullen gaan stijgen. Want meer aandacht voor kindermishandeling betekent meer meldingen en meer melden betekent in de praktijk dat kinderen die dringend hulp nodig hebben langer moeten wachten op hulp. Dat is niet acceptabel.
Ook nog eens omdat na het afronden van het onderzoek door het AMK veelal nog niet onmiddellijk kan worden ingegrepen omdat de Raad voor de Kinderbescherming eerst nog weer eigen onderzoek gaat doen. Dit leidt vaak tot onnodig dubbel onderzoek en tot het nog langer uitblijven van noodzakelijke hulp voor kinderen die mishandeld worden. Uit onderzoek van de commissie Jong in Amsterdam blijkt dat gemiddeld meer dan 15 maanden nodig zijn om het voornemen om een kind onder toezicht te laten stellen om te zetten in de daadwerkelijke benoeming
van een gezinsvoogd. Deze tijd kan met drie tot zes maanden worden bekort als de Raad voor de Kinderbescherming haar onderzoekstaken inbrengt in het onderzoek van het AMK. Is de minister bereid het AMK en de Raad niet langer dubbel werk te laten doen? Graag een reactie.
Nog los van de wachtlijsten die groeien, groeit het aantal kinderen dat uiteindelijk doorstroomt in het systeem natuurlijk ook. Gaat de minister ook extra investeren in de capaciteitsuitbreiding bij het jeugdzorgaanbod?
Ik sluit af met een voor D66 belangrijk punt. En dat is bij wie de uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt als er bij een kind meerdere instanties zijn betrokken. Wie heeft dan de doorzettingsmacht vraag ik de minister?
Meer nieuws
- D66, VVD: Beter pensioen voor zelfstandigen 18-2-2011
- Maak scholen asbestvrij! 18-2-2011
- Orde op zaken? Zaken op hun beloop laten! 10-2-2011
- Koser Kaya: Gat op SZW begroting moet verdwijnen 11-1-2011
- Hoe bereik je de top? 29-6-2010
- Netwerkbijeenkomst op TV 24-6-2010
- Bedankt: 18.837 voorkeursstemmen! 15-6-2010
- Stem Fatma Koser Kaya (Nr 5) 9-6-2010
- Fatma DIVA van de maand 7-6-2010
- Netwerken en Donordansen 4-6-2010










word lid
